Home » Artikelen » Het Grote Zonnejaar

Het Grote Zonnejaar

De warmste en meest zonnige zomer die Europa ooit heeft gekend was die van 1540. Dit Grote Zonnejaar viel precies samen met een bezoek van Karel V aan de Lage Landen. ‘In hondertich jaeren ist noet heeter weder geweest’.

Geen enkele zomer kan tippen aan de zomer van 1540. Deze werd maar liefst zeven maandenlang gekenmerkt door zonovergoten, aanhoudend heet en droog weer. De zomer van 1540 wordt dan ook wel het Grote Zonnejaar genoemd. De warmte zorgde voor uitstekende wijn, maar veroorzaakte ook uitgedroogde rivieren en branden. Het Grote Zonnejaar leverde de laatste van een aantal hete zomers. Daarna brak de Kleine IJstijd aan met koele en natte zomers. Pas vanaf 1625 waren de zomers weer minder koel. Dit alles is afgeleid uit dagboeken, kronieken, oogstgegevens, stads- en tolrekeningen en andere aantekeningen. Want pas in 1706 begon men met weerwaarnemingen.

De regeerperiode van Karel V
Het Grote Zonnejaar viel precies samen met een bezoek van Karel V aan de Lage Landen. In de eerste helft van de zestiende eeuw bestonden de Nederlanden uit verschillende gebieden met eigen wetten en regels.

Maar één ding deelden zij met elkaar: de Habsburgse landsheer Karel V. De vader van Karel, hertog Filips de Schone, was een telg uit het geslacht van de Bourgondiërs dat vanaf de late veertiende eeuw een groot aantal hertogdommen en graafschappen in de Nederlanden had verworven. Zijn moeder was de erfgename van de Spaanse koningskronen Aragon en Castilië. Filips stierf toen Karel nog jong was, en zo moest Karel al vroeg regeren. In 1515 werd hij  vijftien jaar oud – heer der Nederlanden, een jaar later ook koning van Spanje en zijn bezittingen in de Nieuwe Wereld, en in 1519 volgde zijn verkiezing tot keizer van het Duitse Rijk. In 1526 trouwde hij met Isabella van Portugal en zij kregen één zoon, Filips II, en twee dochters, Johanna en Maria. Karel V was bekend én berucht om zijn amoureuze escapades.

Het was voor het eerst sinds Karel de Grote dat iemand in Europa weer over zo’n groot rijk regeerde. Dat ging niet zonder slag of stoot. Geconfronteerd met onwillige Duitse vorsten, oprukkende  Turken en een Franse koning die zijn machtsontplooiing wantrouwend volgde, trok Karel van oorlog naar oorlog. Dat kostte veel geld, dat mede opgebracht moest worden door de welvarende Nederlanden. Ondertussen probeerde hij van de Nederlanden een bestuurlijke eenheid te maken en veroverde hij de laatste zelfstandige gewesten in deze streken: Groningen en Gelre (Gelderland).

Stinkende grachten
Keizer Karel V, in 1539 door de dood van Isabella weduwnaar geworden, vertoeft het jaar daarop in de Lage Landen en uit dagboekaantekeningen en kronieken uit die tijd kunnen we afleiden dat hij last ondervindt van de hitte. Zo vertoeft hij slechts één nacht in Amsterdam. Vermoedelijk is het door het hete weer stinkende en ondrinkbare water daar de oorzaak van. Dit weten we uit de notitie van het korte bezoek van de keizer in het register van landadvocaat Mr. Aert van der  Goes. En de statenleden van Holland willen om die reden de keizer wel naar Haarlem volgen, maar niet naar Amsterdam.

Karel V arriveert op vrijdag 13 augustus 1540 en wordt met veel égards en onder het lossen van kanonschoten ingehaald. Hij wordt vergezeld door zijn zuster, landvoogdes Maria van Hongarije, en een groot gevolg. Karel logeert in Het Wapen van Embden, aan de westelijke dijk langs het Damrak. Nu is dat de Nieuwendijk. Bij oostenwind is dat alleen wat geur betreft niet zo’n goede keuze. Na het bezoek wordt de herberg omgedoopt in Keizershof.

Zonnesteek
De Limburgse kapelaan Christiaan Munters in Kuringen, tegenwoordig Belgisch Limburg, beschrijft de zomer van 1540 vrij duidelijk: In hondertich jaeren ist noet heeter weder geweest gelyckt is  geweest in deesen mey doergaens. Tertia juny (3 juni) versloech te Diepenbeeck der kennep (hennep) algeheel vanden onweeder. Item in dat jaer (1540) ist een alte zeer verveerlycken heeten ende droeghen somer geweest dat men in langhen tyt hy voeren nyet veel desgelycken gesien en had. Het volck woert op deesen tyt over al zeer zieck tot op dy doot in hon hoeft ende aen hon hert. In Italien ende te Romen en had in negen maenden noet geregent. Item op sommighe plaetsen syn dy kuy (koeien) gestorven van dors. De oogst is natuurlijk uitzonderlijk vroeg: In desen somer ist eenen vroeghen vroeghen oechst geweest, want het was eenen seer schoenen oechst, men begost het corn (rogge) te sichten wael acht daeghen voor St.-Jansmis (St.-Jan: 24 juni). En veel boeren sterven zelfs tijdens het maaien aan een zonnesteek. Er heersen trouwens ook andere ziekten, zo overlijden in september in de Kempen en op andere plaatsen velen ‘van den bocksieckden vanden rocyne’.

Droge rivierbeddingen
De Rijn staat onder Keulen bijna droog. Jean de Brustem in Luik heeft het vernomen: Er was een tweede,erg (warme) en droge zomer zoals niemand zich kon herinneren. Want zowel de rivieren droogden uit als de (vis)vijvers. Bij Keulen, zegt men, heeft een boer zijn ploeg dwars door de bedding van de rivier de Rijn getrokken. Dat deed hij om de nieuwigheid van de ongewone zaak. Bij Parijs wandelde men bijna droogvoets door de Seine.

Hij stipt ook even de muizenplaag aan. Een andere tijdgenoot in Luik is al even verbaasd: Het zomerseizoen was dit jaar zo warm, dat meerdere fonteinen hun bron verloren en enige rivieren hun waterloop. Het kwam de Haspengouwers het beste uit om hun vee, schapen en koeien, de rivier de Maas in te leiden. Voor het eind van augustus werd het koren geoogst en was de wijnoogst achter de rug. Misschien is het in wel duizend jaar niet zo droog geweest. Soortgelijke berichten zijn er behalve over de Rijn en de Seine ook over de Maas, Leie en Schelde, en wat verder weg, de Donau bij Ulm.

Quaet weder
Regen valt er nauwelijks. Op zondag 23 mei is het in Antwerpen ongekend ‘quaet weder’ met hagel, donder, bliksem (ook inslagen) en regen. ‘Ende den Fakons toren was heel wech gevuert’. Op 3 juni onweert het nog in Hasselt, Limburg. In de Elzas regent het eind juni enkele dagen, maar veel is het niet. In Saksen onweert het op 23 juni zonder dat daarbij regen valt.

Een maand later, op 28 juli, regent het wel en zelfs op veel plaatsen van betekenis. Dit weten we voor de Elzas, uit Frankfurt/Main (bij lichte donder), Regensburg, Ulm (daar op 29 juli) en Saksen. In Frankfurt is deze regenval de enige onderbreking in vijf maanden van brandend heet weer, van maart tot eind augustus, zonder één enkele donderklap of regenbui. Dat er eind juli vrij veel regen is gevallen blijkt uit het hoge water op 6 augustus in de Donau te Ulm. Het extreme zomerweer heerst niet alleen in de Lage Landen. In Zuid- Engeland heeft de enorme droogte voor veel mensen en dieren ernstige gevolgen. In diverse regio’s moesten de mensen zes of zeven mijl trekken om hun vee van drinkwater te kunnen voorzien. En veel vee haalt het niet.

Ook de mensen zelf bezwijken aan allerlei ziektes, vooral aan de pest. Maar er heerst ook dysenterie. En te Basel valt er in tien maanden – februari tot medio december – slechts op circa tien dagen regen Van medio maart tot eind september 1540 (26 weken lang) regent het in Zürich op maar zes dagen. Op januari en maart na zijn alle maanden min of meer te warm, vooral het viertal april, mei, juni en juli. Zelfs begin oktober wordt het na twee regen alweer warm en droog. We mogen wel aannemen dat de zomer van 1540 draagster is van het seculaire zonnen warmterecord.

Voedsel- en watertekort
In de Elzas schetst de stadssecretaris van Gebweiler, Hans Stolz (1475- 1540), een duidelijk beeld van de gevolgen van het extreme weer: Na de geheel droge april is ook mei mooi en droog tot op de laatste dag. Juni is eveneens droog, tegen het eind van de maand is het wel enige dagen nat, doch de hoeveelheden neerslag zijn niet groot. Men heeft veel hooi.

Als juli, hooi- maand, aanbreekt is het al drieënhalve maand praktisch droog. Het water wordt schrikbarend duur, hier en daar kost een maat evenveel als een maat wijn. Dauw ontbreekt zelfs. Ook is er nauwelijks brood. Niet omdat er geen graan is, maar omdat water- noch windmolens kunnen malen. Appels en peren verdrogen aan de takken. Maar de graanoogst is wel goed, vooral van haver. Uien, rapen, rammenas, knoflook, enzovoorts, alles is door de hitte bedorven. Op 28 juli regent het eindelijk flink. De maand augustus is tamelijk heet, eiken gaan dood, druiven verdrogen en de notenbomen laten hun loof vallen. In Mansfeld in Saksen kan men niet aan ‘Hew, Kraut, Khol und ander Küchenspeise’ komen.

Branden eisen hun tol
Niet alleen heide- en bosbranden zijn aan de orde van de dag, ook dorps- en zelfs enkele stadsbranden. Herhaardelijk brandt het in het oude Hanzestadje Einbeck ten noorden van Göttingen, dat zijn naam geleend heeft aan het bockbier (ainpockisch bier). De eerste keer gebeurt dat op 26 december 1539, de tweede keer in juli 1540. In het hele land zijn brandstichters actief, zogenaamde mordbrenner, wat verband houdt met de heersende wanorde. De hete, droge zomer komt voor deze lieden geroepen.

Gelukkig kan men er verscheidene te pakken krijgen, ze krijgen een natuurlijke straf en worden ‘mit rauch gerichtet’. Geruchten willen dat er hoge opdrachtgevers achter zitten. Een tijdgenoot die de brand van Einbeck op St.-Jacobus, 25 juli, dateert, vertelt over ‘itlicke furige wolken’ die men boven de stad heeft gezien, voordat die in brand is gevlogen. De meeste klokken zijn omgesmolten tot kanonnen, maar met de resterende luidt men uit alle macht. Niettemin gaan zowel het raadhuis met ‘segelen und breven’ als de kerken in vlammen op; alleen de kruittoren overleeft de ramp. Gelukkig schiet de hele omgeving te hulp. De stad Hildesheim stuurt brood, spek en bier. Maar enkele doorgewinterde lutheranen wijzen deze hulp af, omdat die van priesters en kloosterlingen afkomstig is.

Veel aandacht trekt de grote brand van Erkelenz in het Rijnland. Ook hier zucht men onder hitte en droogte: bomen en heggen verdorren, het gras verschroeit, de huizen zijn kurkdroog en in de sloten staat geen water. Als er op 21 juni een ‘satanische’ wind opsteekt, groeit een kleine brand tot een ramp uit: de gehele stad met inbegrip van de kerk, op enkele huizen bij de poorten na, wordt in de as gelegd. Uit Venlo en Roermond en door de abt van Mönchen-Gladbach wordt veel hulp geboden, zo stuurt men wagens met levensmiddelen. Ook in Vianen woedt een stadsbrand waarbij de Mariakerk verloren gaat. En op 26 augustus 1540 woedt er een zware brand in Magdeburg.

Recordvroege oogsten
Begin juni loopt de natuur op tal van plaatsen in Europa al drie tot vier weken voor op schema. Eind augustus zijn volgens een tijdgenoot in Luik de graan- en wijnoogst al achter de rug. Overal in West- en Midden- Europa jubelt men over het prima wijnjaar, afgezien van enkele plaatsen waar de druiven zijn verdord.

In Frankfurt/Main, waar het vijf maanden nauwelijks regent, heeft men door de uitbundige zonneschijn uitstekende, zoete wijn, de beste in minstens 30 jaar. De korenoogst is goed, de korrels zijn klein. Ook te Münster in Westfalen spreekt men over een goede wijnoogst. De wijnoogst in de streek van Parijs en Chartres begint gemiddeld op 26 augustus (Juliaanse kalender). In de Elzas, waar de bomen eind augustus uitlopen als in de lente, is men door de hitte en droogte genoodzaakt vroeg de wijn te oogsten om nog wat druiven van verdroging te redden. Maar het resultaat bevredigt niet. Pas als het rond 29 september twee dagen regent en de nachten koeler worden, zet men de wijnoogst voort. De kwaliteit is goed en men komt vaten te kort.

Run op wijnstokken
Tot ver in de herfst houdt het zonnige, warme weer aan. Nog tientallen jaren daarna zal er worden gesproken over het Grote Zonnejaar. Sommigen vergelijken 1540 met 1473, maar velen houden het er op dat men de wonderlijkste zomer heeft beleefd sinds het jaar…1000! Op veel plaatsen begint de bevolking wijn aan te planten. Daarvoor koopt men wijnstokken in Franken, Dorygen (=Thüringen) en elders. Het vergt veel werk en heel wat akkers worden verwoest en omgezet in wijngaarden. Maar het haalt niets uit, want na 1540 verslechteren de zomers. Met zeer grote dank aan mijn bron: Deel 3 van Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen (1450-1575) van Jan Buisman. Deel 6 is inmiddels in de maak. De hele boekenreeks is een aanrader!

Tekst: Jordi Bloem

Dit artikel verscheen eerder in Het Weer Magazine 3, 2012.