Sommige weerspreuken komen vaak uit, andere bijna nooit of alleen bij toeval. Het Weer Magazine houdt de zin en onzin van weerspreuken tegen het licht.
Tekst en foto: Arie Verrips
Grauwe en kille dagen komen vooral in november en december voor, maar later in de winter zijn deze dagen zeker ook regelmatig aan de orde. Het is dan vaak echt van dat waterkoude weer, waarbij het nog kouder aanvoelt dan de thermometer aangeeft. Afgelopen decembermaand grossierde in dit soort dagen. Ondanks dat de gemiddelde temperatuur in die maand zo’n twee graden hoger was dan normaal, wekte het weer vaak de suggestie dat het koud was. Er was veel te weinig zon. Onze warmtebron was op veel plaatsen maar de helft van de tijd zichtbaar ten opzichte van het klimatologisch gemiddelde en meer dan de helft van de dagen verliepen zonloos.
Gelukkig zien we de zon later in januari en in februari steeds hoger aan de hemel komen, de zonkracht wordt groter en de dagen langer. Dat zorgt er voor dat de dagen steeds minder vaak grauw zijn. Doorgaans wordt de lucht in februari geleidelijk wat droger dan voorheen, waardoor eventuele mist of laaghangende bewolking wat sneller kan oplossen. De spreuk van deze keer heeft het er niet over, maar dat die grauwe nevels samenhangen met kou, die bovendien langer kan duren, welnu, deze uitspraak komt heel vaak uit.
Met wisselvallig en regenachtig weer zal de zon niet zo vaak te zien zijn. Vaak gaat het echter ook om buien waar tussendoor de zon tevoorschijn komt. Mensen ervaren dat niet zo als grauw weer. Veel vinden dit wisselvallige weer in ieder geval boeiender dan een dek van laaghangende bewolking dat dagenlang maar niet wil verdwijnen, zoals tijdens de voorbije Kerst.
Het klopt dat die grauwe nevels in de winter van koude een zeker teken zijn, en daar is een goede verklaring voor. Niet alleen wordt er koude gesuggereerd, zoals we zagen. Het grauwe weer in de winter hangt vaak samen met een hogedrukgebied dat meestal een tijd lang min of meer op dezelfde plek blijft liggen. In zo’n hogedrukgebied is vaak een sterke inversie aanwezig. Tijdens de lange nachten kan de lucht op leefniveau onder de inversie sterk afkoelen. Hoeveel hangt af van het brongebied van de lucht. Ligt de kern van het hoog boven de Britse Eilanden, dan stroomt vaak lange tijd vochtige lucht vanaf de oceaan onze richting uit en is het bijna altijd grijs, maar niet erg koud. De suggestie wordt wel gewekt. Echter, als het hoog zich boven Midden-Europa of ten noorden van de Benelux bevindt, dan kan het met een drogere, aflandige zuiden- tot oostenwind sneller koud worden. De lucht is dus eerst minder vochtig. Maar als gevolg van sterkere afkoeling kan er toch weer laaghangende bewolking of mist ontstaan, zoals tijdens de periode na de afgelopen Kerst. Soms kan het dan wat serieuzer gaan vriezen, maar boven de inversie loopt de temperatuur sterk op en is het heel ander weer dan op laaglandniveau. Soms zien we het verschil zelfs op de Veluwe. Mist en kilte in Arnhem en volop zon en wel tien graden warmer op de 107 meter hoge Zijpenberg, noordoost van deze stad. In Zuid-Limburg, en nog veel vaker in de Ardennen en de Eiffel zien we dit effect nog veel sterker. De koude lucht is zwaar en ook dat is een reden dat deze zich moeilijk laat verdrijven.
In de wintersportgebieden zoals de Alpen gaat de spreuk nog meer op. Koude dalen met mist en laaghangende bewolking, maar zonovergoten skipistes in het midden- en hooggebergte, waarbij je zelfs flink kunt verbranden in de zon en de zon ook warm aanvoelt. Terug in de dalen is het dan in en onder de grijze wolkendeken weer koud. De score van de spreuk is dan ook niet alleen in ons eigen land goed, maar ook in bijvoorbeeld berggebieden. En zeker ook omdat perioden met het grauwe weer lang kunnen aanhouden.